beberVervoeging
beber betekent drinken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van beber gebruikt -a uitgangen: beba, bebas, beba, bebamos, bebáis, beban.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs verleden tijd van beber is bebiera, bebieras, bebiera, bebiéramos, bebierais, bebieran.
Imperative
Imperative
De bevestigende gebiedende wijs van beber gebruikt: bebe (jij), beba (u), bebamos (wij), bebed (jullie), beban (zij/u allen).
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van beber gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no bebas, no beba, no bebamos, no bebáis, no beban.
Indicative
Present
Beber is een regelmatig -er werkwoord in de tegenwoordige tijd: bebo, bebes, bebe, bebemos, bebéis, beben.
Preterite
De verleden tijd van beber is regelmatig: bebí, bebiste, bebió, bebimos, bebisteis, bebieron.
Future
De toekomende tijd van beber wordt gevormd door -é, -ás, -á, -emos, -éis, -án toe te voegen aan het hele werkwoord.
Imperfect
De imperfectum van beber gebruikt -ía uitgangen: bebía, bebías, bebía, bebíamos, bebíais, bebían.
Conditional
De conditionele wijs van beber voegt -ía uitgangen toe aan het hele werkwoord: bebería, beberías, bebería, etc.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng beber van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'beber' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent beber in het Spaans?
beber betekent "drinken".
Is beber een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
beber is een regular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je beber in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van beber is: yo bebo, tú bebes, él/ella/usted bebe, nosotros bebemos, vosotros bebéis, ellos/ellas/ustedes beben.
Hoe vervoeg je beber in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van beber is: yo bebí, tú bebiste, él/ella/usted bebió, nosotros bebimos, vosotros bebisteis, ellos/ellas/ustedes bebieron.
