descenderVervoeging
descender means naar beneden gaan.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gevormd uit de 3e persoon meervoud verleden tijd (preteritum): descendiera, descendieras.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs volgt de e-naar-ie stamverandering: descienda, desciendas.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken 'no' + de vormen van de tegenwoordige tijd aanvoegende wijs: no desciendas.
Imperative
De gebiedende wijs gebruikt 'desciende' voor informele bevelen en 'descienda' voor formele.
Indicative
Conditional
De conditioneel is regelmatig: descendería, descenderías, descendería.
Preterite
Descender is volledig regelmatig in de verleden tijd (preteritum): descendí, descendiste, descendió.
Imperfect
De imperfectum van descender is regelmatig: descendía, descendías, descendía.
Present
Descender is een stamveranderend werkwoord (e-naar-ie) in de tegenwoordige tijd (behalve voor nosotros en vosotros).
Future
De toekomende tijd gebruikt het volledige infinitief 'descender' als stam: descenderé, descenderás.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng descender van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'descender' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent descender in het Spaans?
descender betekent "naar beneden gaan".
Is descender een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
descender is een irregular (e-to-ie change) -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je descender in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van descender is: yo desciendo, tú desciendes, él/ella/usted desciende, nosotros descendemos, vosotros descendéis, ellos/ellas/ustedes descienden.
Hoe vervoeg je descender in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van descender is: yo descendí, tú descendiste, él/ella/usted descendió, nosotros descendimos, vosotros descendisteis, ellos/ellas/ustedes descendieron.
