abusarVervoeging
abusar means misbruik maken van.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van abusar (abusara, abusaras) wordt gebruikt voor hypothetische situaties of wensen in het verleden.
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van abusar (abuse, abuses, abusen) volgt uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Ontkennende bevelen met 'abusar' gebruiken de tegenwoordige tijd van de conjunctief (subjuntivo) met 'no', zoals 'no abuses'.
Imperative
Gebruik 'abusa' (jij) en 'abuse' (u/jullie) voor directe bevelen met 'abusar'.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van abusar (abusaría, abusarías) drukt 'zou'-acties of beleefde verzoeken uit.
Preterite
De preteritum van abusar (abusé, abusaste, abusó) markeert voltooide acties van profiteren in het verleden.
Imperfect
De imperfectum van abusar (abusaba, abusabas) beschrijft gebruikelijke of doorlopende acties van profiteren in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd van abusar (abuso, abusas, abusa) beschrijft huidige of gebruikelijke acties van profiteren.
Future
De toekomende tijd van abusar (abusaré, abusarás) geeft acties aan die zullen plaatsvinden.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng abusar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'abusar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent abusar in het Spaans?
abusar betekent "misbruik maken van".
Is abusar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
abusar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je abusar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van abusar is: yo abuso, tú abusas, él/ella/usted abusa, nosotros abusamos, vosotros abusáis, ellos/ellas/ustedes abusan.
Hoe vervoeg je abusar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van abusar is: yo abusé, tú abusaste, él/ella/usted abusó, nosotros abusamos, vosotros abusasteis, ellos/ellas/ustedes abusaron.
