acabarVervoeging
acabar betekent afmaken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van acabar is regelmatig: acabo, acabas, acaba, acabamos, acabáis, acaban.
Future
De toekomende tijd is regelmatig: acabaré, acabarás, acabará, acabaremos, acabaréis, acabarán.
Imperfect
Acabar in de imperfectum is regelmatig: acababa, acababas, acababa, acabábamos, acababais, acababan.
Conditional
De conditionele is regelmatig: acabaría, acabarías, acabaría, acabaríamos, acabaríais, acabarían.
Preterite
De preteritum van acabar is regelmatig: acabé, acabaste, acabó, acabamos, acabasteis, acabaron.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken de tegenwoordige tijd subjunctief: no acabes, no acabe, no acabemos, no acabéis, no acaben.
Imperative
De bevestigende imperatief vormen zijn: acaba (tú), acabe (usted), acabemos (nosotros), acabad (vosotros), acaben (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd subjunctief van acabar volgt het -ar patroon: acabe, acabes, acabe, acabemos, acabéis, acaben.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctief van acabar gebruikt de -ra uitgangen: acabara, acabaras, acabara, acabáramos, acabarais, acabaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng acabar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'acabar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent acabar in het Spaans?
acabar betekent "afmaken".
Is acabar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
acabar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je acabar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van acabar is: yo acabo, tú acabas, él/ella/usted acaba, nosotros acabamos, vosotros acabáis, ellos/ellas/ustedes acaban.
Hoe vervoeg je acabar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van acabar is: yo acabé, tú acabaste, él/ella/usted acabó, nosotros acabamos, vosotros acabasteis, ellos/ellas/ustedes acabaron.
