aceptarVervoeging
aceptar betekent accepteren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'aceptar' is regelmatig: acepto, aceptas, acepta, aceptamos, aceptáis, aceptan.
Future
De toekomende tijd van 'aceptar' gebruikt het infinitief plus uitgangen: aceptaré, aceptarás, aceptará, aceptaremos, aceptaréis, aceptarán.
Imperfect
De imperfectum van 'aceptar' volgt het standaard '-aba' patroon: aceptaba, aceptabas, aceptaba, aceptábamos, aceptabais, aceptaban.
Conditional
De conditioneel van 'aceptar' is regelmatig: aceptaría, aceptarías, aceptaría, aceptaríamos, aceptaríais, aceptarían.
Preterite
De verleden tijd van 'aceptar' is regelmatig: acepté, aceptaste, aceptó, aceptamos, aceptasteis, aceptaron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief van 'aceptar' gebruikt altijd de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no aceptes, no acepte, no aceptemos, no aceptéis, no acepten.
Imperative
De affirmatieve imperatief van 'aceptar' gebruikt: acepta (tú), aceptad (vosotros), en conjunctieve vormen voor anderen.
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van 'aceptar' is regelmatig: acepte, aceptes, acepte, aceptemos, aceptéis, acepten.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs imperfectum van 'aceptar' is regelmatig: aceptara, aceptaras, aceptara, aceptáramos, aceptarais, aceptaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng aceptar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'aceptar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent aceptar in het Spaans?
aceptar betekent "accepteren".
Is aceptar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
aceptar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je aceptar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van aceptar is: yo acepto, tú aceptas, él/ella/usted acepta, nosotros aceptamos, vosotros aceptáis, ellos/ellas/ustedes aceptan.
Hoe vervoeg je aceptar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van aceptar is: yo acepté, tú aceptaste, él/ella/usted aceptó, nosotros aceptamos, vosotros aceptasteis, ellos/ellas/ustedes aceptaron.
