acumularVervoeging
acumular means vergaren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte subjunctief van acumular (acumulara, acumularas, etc.) drukt hypothetische situaties in het verleden, wensen of twijfels uit.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd (subjunctief) van acumular (acumule, acumules, etc.) wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of invloed.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no' + tegenwoordige tijd (subjunctief) voor negatieve bevelen met acumular: ¡no acumules!, ¡no acumulemos!, ¡no acumuléis!, ¡no acumulen!
Imperative
Gebruik de imperatief van acumular voor directe bevelen: ¡acumula!, ¡acumulemos!, ¡acumulad!, ¡acumulen!
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van acumular (acumularía, acumularías, etc.) drukt 'zou'-handelingen, beleefde verzoeken of toekomende tijd in het verleden uit.
Preterite
De preteritum van acumular is regelmatig: acumulé, acumulaste, acumuló, acumulamos, acumulasteis, acumularon.
Imperfect
De imperfectum van acumular (acumulaba, acumulabas, etc.) beschrijft doorlopende of gebruikelijke accumulatie in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd (indicatief) van acumular (acumulo, acumulas, etc.) beschrijft gebruikelijke handelingen, huidige toestanden of algemene waarheden.
Future
De toekomende tijd van acumular (acumularé, acumularás, etc.) geeft aan dat handelingen zullen plaatsvinden.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng acumular van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'acumular' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent acumular in het Spaans?
acumular betekent "vergaren".
Is acumular een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
acumular is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je acumular in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van acumular is: yo acumulo, tú acumulas, él/ella/usted acumula, nosotros acumulamos, vosotros acumuláis, ellos/ellas/ustedes acumulan.
Hoe vervoeg je acumular in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van acumular is: yo acumulé, tú acumulaste, él/ella/usted acumuló, nosotros acumulamos, vosotros acumulasteis, ellos/ellas/ustedes acumularon.
