acusarVervoeging
acusar betekent beschuldigen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Present Subjunctive
Gebruik 'acuse', 'acuses', 'acusemos', 'uséis', 'acusen' na wensen, twijfels, emoties en onpersoonlijke uitdrukkingen.
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief 'acusara'/'acusase' wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of beleefde verzoeken.
Imperative
Imperative
Gebruik 'acusa', 'acuse', 'acusemos', 'acusad', 'acusen' voor directe bevelen met 'acusar'.
Negative Imperative
Gebruik 'no acuses', 'no acuse', 'no acusemos', 'no acuséis', 'no acusen' voor ontkennende bevelen.
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd 'acuso', 'acusas', 'acusa', 'acusamos', 'acusáis', 'acusan' beschrijft huidige of gebruikelijke beschuldigingen.
Preterite
De preteritum van 'acusar' is regelmatig: 'acusé', 'acusaste', 'acusó', 'acusamos', 'acusasteis', 'acusaron'.
Future
De toekomstige tijd 'acusaré', 'acusarás', 'acusará', 'acusaremos', 'acusaréis', 'acusarán' geeft aan dat beschuldigingen zullen plaatsvinden.
Imperfect
De imperfectum 'acusaba' beschrijft gebruikelijke of doorlopende beschuldigingen in het verleden, of zet de scène.
Conditional
De conditionele tijd 'acusaría' drukt 'zou beschuldigen' uit, hypothetische situaties of beleefde verzoeken.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng acusar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'acusar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent acusar in het Spaans?
acusar betekent "beschuldigen".
Is acusar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
acusar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je acusar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van acusar is: yo acuso, tú acusas, él/ella/usted acusa, nosotros acusamos, vosotros acusáis, ellos/ellas/ustedes acusan.
Hoe vervoeg je acusar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van acusar is: yo acusé, tú acusaste, él/ella/usted acusó, nosotros acusamos, vosotros acusasteis, ellos/ellas/ustedes acusaron.
