admitirVervoeging
admitir betekent toelaten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van admitir is regelmatig: admito, admites, admite, admitimos, admitís, admiten.
Future
De toekomende tijd van admitir voegt uitgangen toe aan het hele werkwoord: admitiré, admitirás, admitirá, admitiremos, admitiréis, admitirán.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van admitir gebruikt regelmatige -ía uitgangen: admitía, admitías, admitía, admitíamos, admitíais, admitían.
Conditional
De conditionele vorm van admitir wordt gevormd door -ía uitgangen toe te voegen aan het hele werkwoord: admitiría, admitirías, admitiría, admitiríamos, admitiríais, admitirían.
Preterite
Admitir is regelmatig in de verleden tijd: admití, admitiste, admitió, admitimos, admitisteis, admitieron.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van admitir gebruikt conjunctief vormen: no admitas, no admita, no admitamos, no admitáis, no admitan.
Imperative
Het gebiedende wijs van admitir geeft commando's: 'admit' (jij), 'admita' (u), 'admitamos' (wij), 'admitid' (jullie), 'admitan' (zij/u allen).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van admitir gebruikt -a uitgangen: admita, admitas, admita, admitamos, admitáis, admitan.
Imperfect Subjunctive
De verleden conjunctief van admitir is regelmatig: admitiera, admitieras, admitiera, admitiéramos, admitierais, admitieran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng admitir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'admitir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent admitir in het Spaans?
admitir betekent "toelaten".
Is admitir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
admitir is een regular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je admitir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van admitir is: yo admito, tú admites, él/ella/usted admite, nosotros admitimos, vosotros admitís, ellos/ellas/ustedes admiten.
Hoe vervoeg je admitir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van admitir is: yo admití, tú admitiste, él/ella/usted admitió, nosotros admitimos, vosotros admitisteis, ellos/ellas/ustedes admitieron.
