aforarVervoeging
aforar betekent de capaciteit inschatten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs 'afore' wordt gebruikt voor wensen, twijfels, emoties en onzekerheid.
Imperfect Subjunctive
De imperfecte aanvoegende wijs 'aforara'/'aforase' wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of beleefde verzoeken.
Imperative
Imperative
Gebruik het imperatief 'afora' (jij), 'afore' (u), 'aforad' (jullie), 'aforemos' (wij), 'aforen' (zij/u allen) voor directe bevelen.
Negative Imperative
Gebruik 'no afores' (jij), 'no afore' (u), 'no aforéis' (jullie), 'no aforemos' (wij), 'no aforen' (zij/u allen) voor ontkennende bevelen.
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd 'aforo' wordt gebruikt voor actuele handelingen, gewoontes en algemene waarheden.
Preterite
De preteritum van 'aforar' is regelmatig: aforé, aforaste, aforó, aforamos, aforasteis, aforaron.
Future
De toekomende tijd 'aforará' geeft handelingen aan die zullen plaatsvinden, met de stam 'aforar-'.
Imperfect
De imperfectum 'aforaba' beschrijft doorlopende of gebruikelijke handelingen in het verleden met betrekking tot meten.
Conditional
De conditioneel 'aforaría' drukt uit 'zou doen', beleefde verzoeken of toekomt in het verleden uit.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng aforar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'aforar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent aforar in het Spaans?
aforar betekent "de capaciteit inschatten".
Is aforar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
aforar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je aforar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van aforar is: yo aforo, tú aforas, él/ella/usted afora, nosotros aforamos, vosotros aforáis, ellos/ellas/ustedes aforan.
Hoe vervoeg je aforar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van aforar is: yo aforé, tú aforaste, él/ella/usted aforó, nosotros aforamos, vosotros aforasteis, ellos/ellas/ustedes aforaron.
