afrontarVervoeging
afrontar betekent aangaan.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik 'afrontara' of 'afrontase' voor hypothetische situaties uit het verleden of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
Gebruik 'afronte', 'afrontes', 'afrontemos', 'afrontéis', 'afronten' na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no afrontes', 'no afronte', 'no afrontemos', 'no afrontéis', 'no afronten' voor negatieve bevelen.
Imperative
Gebruik 'afronta', 'afronte', 'afrontemos', 'afrontad', 'afronten' voor directe bevelen met afrontar.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van afrontar is regelmatig: afrontaría, afrontarías, afrontaría, afrontaríamos, afrontaríais, afrontarían.
Preterite
De preteritum van afrontar is regelmatig: afronté, afrontaste, afrontó, afrontamos, afrontasteis, afrontaron.
Imperfect
De imperfectum van afrontar is regelmatig: afrontaba, afrontabas, afrontaba, afrontábamos, afrontabais, afrontaban.
Present
De tegenwoordige tijd van afrontar is regelmatig: afronto, afrontas, afronta, afrontamos, afrontáis, afrontan.
Future
De toekomende tijd van afrontar is regelmatig: afrontaré, afrontarás, afrontará, afrontaremos, afrontaréis, afrontarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng afrontar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'afrontar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent afrontar in het Spaans?
afrontar betekent "aangaan".
Is afrontar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
afrontar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je afrontar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van afrontar is: yo afronto, tú afrontas, él/ella/usted afronta, nosotros afrontamos, vosotros afrontáis, ellos/ellas/ustedes afrontan.
Hoe vervoeg je afrontar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van afrontar is: yo afronté, tú afrontaste, él/ella/usted afrontó, nosotros afrontamos, vosotros afrontasteis, ellos/ellas/ustedes afrontaron.
