agravarVervoeging
agravar betekent verergeren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfect conjunctief van agravar heeft twee vormen, bv. 'agravara'/'agravara' (ik/hij/zij/u) en 'agravaran'/'agraváran' (zij/u allen).
Present Subjunctive
De present conjunctief van agravar gebruikt 'agrave' (ik/hij/zij/u), 'agravas' (jij), 'agravamos' (wij), 'agraváis' (jullie), 'agraven' (zij/u allen).
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor agravar gebruiken de present conjunctief: 'no agraves' (jij), 'no agrave' (u), 'no agravéis' (jullie), 'no agravemos' (wij), 'no agraven' (zij/u allen).
Imperative
De gebiedende wijs van agravar gebruikt 'agrava' (jij), 'agrave' (u), 'agravad' (jullie), 'agravemos' (wij), 'agraven' (zij/u allen).
Indicative
Conditional
De conditioneel van agravar is regelmatig: agravaría, agravarías, agravaría, agravaríamos, agravaríais, agravarían.
Preterite
De preteritum van agravar is regelmatig: agravé, agravaste, agravó, agravamos, agravasteis, agravaron.
Imperfect
De imperfectum van agravar is regelmatig: agravaba, agravabas, agravaba, agravábamos, agravabais, agravaban.
Present
De tegenwoordige tijd van agravar is regelmatig: agravo, agravas, agrava, agravamos, agraváis, agravan.
Future
De toekomende tijd van agravar is regelmatig: agravaré, agravarás, agravará, agravarémos, agravaréis, agravarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng agravar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'agravar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent agravar in het Spaans?
agravar betekent "verergeren".
Is agravar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
agravar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je agravar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van agravar is: yo agravo, tú agravas, él/ella/usted agrava, nosotros agravamos, vosotros agraváis, ellos/ellas/ustedes agravan.
Hoe vervoeg je agravar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van agravar is: yo agravé, tú agravaste, él/ella/usted agravó, nosotros agravamos, vosotros agravasteis, ellos/ellas/ustedes agravaron.
