ahorrarVervoeging
ahorrar betekent sparen (geld).
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Preterite
Gebruik 'ahorré', 'ahorraste', 'ahorró', 'ahorramos', 'ahorrasteis', 'ahorraron' voor voltooide spaaracties in het verleden.
Future
Gebruik 'ahorraré', 'ahorrarás', 'ahorrará', 'ahorraremos', 'ahorraréis', 'ahorrarán' voor toekomstige besparingen.
Present
Gebruik 'ahorro', 'ahorras', 'ahorra', 'ahorramos', 'ahorráis', 'ahorran' voor sparen nu of gewoonlijk.
Conditional
Gebruik 'ahorraría', 'ahorrarías', 'ahorraría', 'ahorraríamos', 'ahorraríais', 'ahorrarían' voor hypothetische besparingen of beleefde verzoeken.
Imperfect
Gebruik 'ahorraba', 'ahorrabas', 'ahorraba', 'ahorrábamos', 'ahorrabais', 'ahorraban' voor spaargewoonten of doorlopende besparingen in het verleden.
Subjunctive
Present Subjunctive
Gebruik 'ahorre', 'ahorres', 'ahorre', 'ahorremos', 'ahorréis', 'ahorren' na wensen, twijfels, emoties.
Imperfect Subjunctive
Gebruik 'ahorrara' of 'ahorrase' voor hypothetische situaties, wensen of twijfels uit het verleden.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no ahorres', 'no ahorre', 'no ahorremos', 'no ahorréis', 'no ahorren' voor negatieve bevelen.
Imperative
Gebruik 'ahorra', 'ahorre', 'ahorremos', 'ahorrad', 'ahorren' voor directe bevelen met 'ahorrar'.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng ahorrar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'ahorrar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent ahorrar in het Spaans?
ahorrar betekent "sparen (geld)".
Is ahorrar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
ahorrar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je ahorrar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van ahorrar is: yo ahorro, tú ahorras, él/ella/usted ahorra, nosotros ahorramos, vosotros ahorráis, ellos/ellas/ustedes ahorran.
Hoe vervoeg je ahorrar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van ahorrar is: yo ahorré, tú ahorraste, él/ella/usted ahorró, nosotros ahorramos, vosotros ahorrasteis, ellos/ellas/ustedes ahorraron.
