alardearVervoeging
alardear betekent opscheppen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of twijfels: 'si alardeara' (als ik zou opscheppen), 'ojalá alardeara' (ik wou dat hij opschepte).
Present Subjunctive
Drukt wensen, twijfels, emoties of onzekerheid uit: 'Espero que alardees' (Ik hoop dat je opschept), 'Dudo que alardeen' (Ik betwijfel of zij opscheppen).
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen gebruiken 'no' + present subjunctive: 'no alardees' (jij), 'no alardee' (u), 'no alardeen' (ustedes).
Imperative
Gebruik 'alardea' (jij) en 'alardead' (jullie) voor directe bevelen, en 'alardee'/'alardeen' voor u/ustedes.
Indicative
Conditional
De conditionele vorm van alardear is regelmatig: alardearía, alardearías, alardearía, alardearíamos, alardearíais, alardearían.
Preterite
De preterite van alardear is regelmatig: alardeé, alardeaste, alardeó, alardeamos, alardeasteis, alardearon.
Imperfect
De imperfect van alardear is regelmatig: alardeaba, alardeabas, alardeaba, alardeábamos, alardeabais, alardeaban.
Present
De tegenwoordige tijd van alardear is regelmatig: alardeo, alardeas, alardea, alardeamos, alardeáis, alardean.
Future
De toekomstige tijd van alardear is regelmatig: alardearé, alardearás, alardeará, alardearemos, alardearéis, alardearán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng alardear van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'alardear' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent alardear in het Spaans?
alardear betekent "opscheppen".
Is alardear een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
alardear is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je alardear in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van alardear is: yo alardeo, tú alardeas, él/ella/usted alardea, nosotros alardeamos, vosotros alardeáis, ellos/ellas/ustedes alardean.
Hoe vervoeg je alardear in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van alardear is: yo alardeé, tú alardeaste, él/ella/usted alardeó, nosotros alardeamos, vosotros alardeasteis, ellos/ellas/ustedes alardearon.
