alargarVervoeging
alargar means verlengen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van alargar is regelmatig: alargara, alargaras, alargara, alargáramos, alargarais, alargaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van alargar vereist een 'gu'-spelling in alle vormen: alargue, alargues, alargue, etc.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van alargar gebruikt altijd de 'gu'-spelling: no alargues, no alargue, no alarguemos, no alarguéis, no alarguen.
Imperative
De bevestigende gebiedende wijs van alargar gebruikt: alarga (tú), alargue (usted), alarguemos (nosotros), alargad (vosotros), alarguen (ustedes).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van alargar is regelmatig: alargaría, alargarías, alargaría, alargaríamos, alargaríais, alargarían.
Preterite
De verleden tijd van alargar heeft een 'g' naar 'gu'-verandering in de 'yo'-vorm: alargué.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van alargar is regelmatig: alargaba, alargabas, alargaba, alargábamos, alargabais, alargaban.
Present
De tegenwoordige tijd van alargar is regelmatig: alargo, alargas, alarga, alargamos, alargáis, alargan.
Future
De toekomende tijd van alargar is regelmatig: alargaré, alargarás, alargará, alargaremos, alargaréis, alargarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng alargar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'alargar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent alargar in het Spaans?
alargar betekent "verlengen".
Is alargar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
alargar is een regular with spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je alargar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van alargar is: yo alargo, tú alargas, él/ella/usted alarga, nosotros alargamos, vosotros alargáis, ellos/ellas/ustedes alargan.
Hoe vervoeg je alargar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van alargar is: yo alargué, tú alargaste, él/ella/usted alargó, nosotros alargamos, vosotros alargasteis, ellos/ellas/ustedes alargaron.
