aliviarVervoeging
aliviar means verlichten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctief van aliviar (aliviara, aliviarais, etc.) is voor hypothetische situaties in het verleden of wensen.
Present Subjunctive
De presens subjunctief van aliviar (alivie, alivies, alivien) drukt wensen, twijfels of emoties uit.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor aliviar gebruiken de presens subjunctief: ¡no alivies tú!, ¡no alivien ustedes!
Imperative
Gebruik de imperatief van aliviar voor directe bevelen: ¡alivia tú!, ¡alivien ustedes!
Indicative
Conditional
De conditioneel van aliviar (aliviaría, aliviarías, aliviaría) bespreekt hypothetische verlichting of beleefde verzoeken.
Preterite
De pretérito van aliviar (alivié, aliviaste, alivió) markeert voltooide handelingen van verlichten of verzachten.
Imperfect
De imperfectum van aliviar (aliviaba, aliviabas, aliviaba) beschrijft voortdurende of gebruikelijke verlichting in het verleden.
Present
De presens van aliviar (alivio, alivias, alivia) beschrijft huidige of gebruikelijke verlichting.
Future
De futurum van aliviar (aliviaré, aliviarás, aliviará) spreekt over toekomstige verlichting of waarschijnlijkheid.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng aliviar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'aliviar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent aliviar in het Spaans?
aliviar betekent "verlichten".
Is aliviar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
aliviar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je aliviar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van aliviar is: yo alivio, tú alivias, él/ella/usted alivia, nosotros aliviamos, vosotros aliviáis, ellos/ellas/ustedes alivian.
Hoe vervoeg je aliviar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van aliviar is: yo alivié, tú aliviaste, él/ella/usted alivió, nosotros aliviamos, vosotros aliviasteis, ellos/ellas/ustedes aliviaron.
