alzarVervoeging
alzar means optillen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de conjunctief is regelmatig gebaseerd op de stam van de preteritus: alzara, alzaras, alzara, alzáramos, alzarais, alzaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief van 'alzar' heeft een Z naar C spellingverandering: alce, alces, alce, alcemos, alcéis, alcen.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve commando's voor 'alzar' gebruiken altijd de vormen van de tegenwoordige tijd van de conjunctief: no alces, no alce, no alcemos, no alcéis, no alcen.
Imperative
De imperatief gebruikt 'alza' voor tú en 'alce' voor usted, inclusief de Z naar C verandering voor formele commando's.
Indicative
Conditional
De conditioneel van 'alzar' is regelmatig: alzaría, alzarías, alzaría, alzaríamos, alzaríais, alzarían.
Preterite
De preteritus van 'alzar' is regelmatig, behalve de 'yo'-vorm die een spellingverandering heeft: alcé, alzaste, alzó, alzamos, alzasteis, alzaron.
Imperfect
De imperfectum van 'alzar' is regelmatig voor -ar werkwoorden: alzaba, alzabas, alzaba, alzábamos, alzabais, alzaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'alzar' is volledig regelmatig: alzo, alzas, alza, alzamos, alzáis, alzan.
Future
De toekomende tijd van 'alzar' is regelmatig, waarbij de infinitief als stam wordt gebruikt: alzaré, alzarás, alzará, alzaremos, alzaréis, alzarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng alzar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'alzar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent alzar in het Spaans?
alzar betekent "optillen".
Is alzar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
alzar is een regular with spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je alzar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van alzar is: yo alzo, tú alzas, él/ella/usted alza, nosotros alzamos, vosotros alzáis, ellos/ellas/ustedes alzan.
Hoe vervoeg je alzar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van alzar is: yo alcé, tú alzaste, él/ella/usted alzó, nosotros alzamos, vosotros alzasteis, ellos/ellas/ustedes alzaron.
