ampararVervoeging
amparar means beschermen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Amparara, amparas, amparáramos, amparan zijn verleden conjunctiefvormen voor 'amparar'.
Present Subjunctive
Ampare, ampares, amparemos, amparéis, amparen zijn de tegenwoordige conjunctiefvormen voor 'amparar'.
Imperative
Negative Imperative
No ampares, no ampare, no amparemos, no amparéis, no amparen zijn negatieve bevelen voor 'amparar'.
Imperative
Ampara, ampare, amparemos, amparad, amparen zijn de bevelen voor 'amparar'.
Indicative
Conditional
Ampararía, ampararías, ampararía, ampararíamos, ampararíais, ampararían drukken hypothetische bescherming uit met 'amparar'.
Preterite
Amparé, amparaste, amparó, amparamos, amparasteis, ampararon zijn de voltooide verleden acties voor 'amparar'.
Imperfect
Amparaba, amparabas, amparaba, amparábamos, amparabais, amparaban beschrijven doorlopende of gebruikelijke bescherming in het verleden met 'amparar'.
Present
Amparo, amparas, ampara, amparamos, amparáis, amparan beschrijven huidige of gebruikelijke bescherming met 'amparar'.
Future
Ampararé, ampararás, amparará, ampararemos, ampararéis, ampararán drukken toekomstige bescherming uit met 'amparar'.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng amparar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'amparar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent amparar in het Spaans?
amparar betekent "beschermen".
Is amparar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
amparar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je amparar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van amparar is: yo amparo, tú amparas, él/ella/usted ampara, nosotros amparamos, vosotros amparáis, ellos/ellas/ustedes amparan.
Hoe vervoeg je amparar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van amparar is: yo amparé, tú amparaste, él/ella/usted amparó, nosotros amparamos, vosotros amparasteis, ellos/ellas/ustedes ampararon.
