apelarVervoeging
apelar means in beroep gaan.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Verleden aanvoegende wijs vormen zoals 'apelara' (ik/hij/zij/u) of 'apeláramos' (wij) voor hypothetische of onzekere situaties in het verleden.
Present Subjunctive
Aanvoegende wijs vormen zoals 'apele' (ik/hij/zij/u) en 'apelen' (zij/u allen) gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve kommando's zoals 'no apeles' (jij) en 'no apelen' (jullie) gebruiken de tegenwoordige aanvoegende wijs.
Imperative
Kommando's zoals 'apela' (jij) en 'apelen' (jullie) in de affirmatieve vorm.
Indicative
Conditional
Hypothetische handelingen zoals 'apelaría' (ik zou beroep aantekenen) of beleefde verzoeken.
Preterite
Voltooide handelingen in het verleden zoals 'apeló' (hij/zij/u tekende beroep aan) of 'apelaron' (zij tekenden beroep aan).
Imperfect
Doorlopende of gebruikelijke handelingen in het verleden zoals 'apelaba' (hij/zij/u was aan het beroep aantekenen / pleegde beroep aan te tekenen) of 'apelaban' (zij waren aan het beroep aantekenen / pleegden beroep aan te tekenen).
Present
Huidige handelingen zoals 'apelo' (ik teken beroep aan) of 'apelan' (zij tekenen beroep aan), gebruikelijke handelingen en algemene waarheden.
Future
Toekomstige handelingen zoals 'apelaré' (ik zal beroep aantekenen) of 'apelarán' (zij zullen beroep aantekenen), ook gebruikt voor waarschijnlijkheid.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng apelar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'apelar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent apelar in het Spaans?
apelar betekent "in beroep gaan".
Is apelar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
apelar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je apelar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van apelar is: yo apelo, tú apelas, él/ella/usted apela, nosotros apelamos, vosotros apeláis, ellos/ellas/ustedes apelan.
Hoe vervoeg je apelar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van apelar is: yo apelé, tú apelaste, él/ella/usted apeló, nosotros apelamos, vosotros apelasteis, ellos/ellas/ustedes apelaron.
