apetecerVervoeging
apetecer means zin hebben in.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van 'apetecer' is regelmatig: apeteciera, apetecieras, apeteciera, apeteciéramos, apetecierais, apetecieran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van 'apetecer' gebruikt de 'z': apetezca, apetezcas, apetezca, apetezcamos, apetezcáis, apetezcan.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs gebruikt de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no apetezcas, no apetezca, no apetezcamos, no apetezcáis, no apetezcan.
Imperative
De gebiedende wijs van 'apetecer' wordt vanwege de betekenis zelden gebruikt, maar vormen zijn onder andere apetece (tú) en apetezcan (ustedes).
Indicative
Conditional
De conditionele wijs van 'apetecer' is regelmatig: apetecería, apetecerías, apetecería, apeteceríamos, apeteceríais, apetecerían.
Preterite
De preteritum van 'apetecer' is regelmatig: apetecí, apeteciste, apeteció, apetecimos, apetecisteis, apetecieron.
Imperfect
De imperfectum van 'apetecer' is regelmatig: apetecía, apetecías, apetecía, apetecíamos, apetecíais, apetecían.
Present
'Apetecer' gedraagt zich als 'gustar' (met indirecte objectvoornaamwoorden + derde persoon), maar de 'yo'-vorm is onregelmatig: apetezco.
Future
De toekomende tijd van 'apetecer' is regelmatig: apeteceré, apetecerás, apetecerá, apeteceremos, apeteceréis, apetecerán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng apetecer van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'apetecer' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent apetecer in het Spaans?
apetecer betekent "zin hebben in".
Is apetecer een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
apetecer is een irregular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je apetecer in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van apetecer is: yo apetezco, tú apeteces, él/ella/usted apetece, nosotros apetecemos, vosotros apetecéis, ellos/ellas/ustedes apetecen.
Hoe vervoeg je apetecer in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van apetecer is: yo apetecí, tú apeteciste, él/ella/usted apeteció, nosotros apetecimos, vosotros apetecisteis, ellos/ellas/ustedes apetecieron.
