aprenderVervoeging
aprender betekent leren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van aprender is regelmatig: aprendo, aprendes, aprende, aprendemos, aprendéis, aprenden.
Future
De toekomende tijd van aprender is regelmatig: aprenderé, aprenderás, aprenderá, aprenderemos, aprenderéis, aprenderán.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van aprender is regelmatig: aprendía, aprendías, aprendía, aprendíamos, aprendíais, aprendían.
Conditional
De conditionele wijs van aprender is regelmatig: aprendería, aprenderías, aprendería, aprenderíamos, aprenderíais, aprenderían.
Preterite
De verleden tijd van aprender is regelmatig: aprendí, aprendiste, aprendió, aprendimos, aprendisteis, aprendieron.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van aprender gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no aprendas, no aprenda, no aprendamos, no aprendáis, no aprendan.
Imperative
De gebiedende wijs van aprender gebruikt reguliere vormen: aprende, aprenda, aprendamos, aprended, aprendan.
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van aprender is regelmatig: aprenda, aprendas, aprenda, aprendamos, aprendáis, aprendan.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooid verleden tijd van aprender is regelmatig: aprendiera, aprendieras, aprendiera, aprendiéramos, aprendierais, aprendieran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng aprender van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'aprender' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent aprender in het Spaans?
aprender betekent "leren".
Is aprender een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
aprender is een regular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je aprender in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van aprender is: yo aprendo, tú aprendes, él/ella/usted aprende, nosotros aprendemos, vosotros aprendéis, ellos/ellas/ustedes aprenden.
Hoe vervoeg je aprender in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van aprender is: yo aprendí, tú aprendiste, él/ella/usted aprendió, nosotros aprendimos, vosotros aprendisteis, ellos/ellas/ustedes aprendieron.
