apresarVervoeging
apresar betekent gevangen nemen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief (apresara/apresarais/apresaran) wordt gebruikt voor verleden tijd hypothetische situaties, wensen of voorwaarden.
Present Subjunctive
Gebruik de tegenwoordige conjunctief (aprese, apreses, apresemos, etc.) na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen met 'apresar' gebruiken 'no' gevolgd door de tegenwoordige aanvoegende wijs, zoals 'no apreses' (jij) of 'no apresen' (jullie/u).
Imperative
Gebruik gebiedende wijs vormen zoals 'apresa' (jij) en 'apresen' (jullie/u) voor directe bevelen met 'apresar'.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van 'apresar' is regelmatig: 'apresaría', 'apresarías', 'apresaría', 'apresaríamos', 'apresaríais', 'apresarían'.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'apresar' is regelmatig: 'apresé', 'apresaste', 'apresó', 'apresamos', 'apresasteis', 'apresaron'.
Imperfect
De imperfectum van 'apresar' is regelmatig: 'apresaba', 'apresabas', 'apresaba', 'apresábamos', 'apresabais', 'apresaban'.
Present
De tegenwoordige tijd van 'apresar' is regelmatig: 'apreso', 'apresas', 'apresa', 'apresamos', 'apresáis', 'apresan'.
Future
De toekomende tijd van 'apresar' is regelmatig: 'apresaré', 'apresarás', 'apresará', 'apresaremos', 'apresaréis', 'apresarán'.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng apresar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'apresar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent apresar in het Spaans?
apresar betekent "gevangen nemen".
Is apresar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
apresar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je apresar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van apresar is: yo apreso, tú apresas, él/ella/usted apresa, nosotros apresamos, vosotros apresáis, ellos/ellas/ustedes apresan.
Hoe vervoeg je apresar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van apresar is: yo apresé, tú apresaste, él/ella/usted apresó, nosotros apresamos, vosotros apresasteis, ellos/ellas/ustedes apresaron.
