aprovecharVervoeging
aprovechar betekent profiteren van.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
Gebruik 'aprovecho' (ik) en 'aprovecha' (jij) voor huidige acties, gewoonten of algemene waarheden.
Future
Gebruik 'aprovecharé' (ik) en 'aprovechará' (hij/zij/u) voor acties die zullen gebeuren of om waarschijnlijkheid uit te drukken.
Imperfect
Gebruik 'aprovechaba' (ik/hij/zij/u) voor lopende of gebruikelijke acties in het verleden.
Conditional
Gebruik 'aprovecharía' (ik/hij/zij/u) voor hypothetische 'zou'-situaties of beleefde verzoeken.
Preterite
Gebruik 'aproveché' (ik) en 'aprovechó' (hij/zij/u) voor voltooide acties in het verleden.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no aproveches' (jij) of 'no aproveche' (u) om negatieve bevelen te geven.
Imperative
Gebruik 'aprovecha' (jij) en 'aproveche' (u) om directe bevelen te geven om ergens gebruik van te maken.
Subjunctive
Present Subjunctive
Gebruik 'aproveche' (ik/hij/zij/u) na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperfect Subjunctive
Gebruik 'aprovechara' of 'aprovechara' (ik/hij/zij/u) voor hypothetische situaties of wensen in het verleden.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng aprovechar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'aprovechar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent aprovechar in het Spaans?
aprovechar betekent "profiteren van".
Is aprovechar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
aprovechar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je aprovechar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van aprovechar is: yo aprovecho, tú aprovechas, él/ella/usted aprovecha, nosotros aprovechamos, vosotros aprovecháis, ellos/ellas/ustedes aprovechan.
Hoe vervoeg je aprovechar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van aprovechar is: yo aproveché, tú aprovechaste, él/ella/usted aprovechó, nosotros aprovechamos, vosotros aprovechasteis, ellos/ellas/ustedes aprovecharon.
