apurarVervoeging
apurar betekent haasten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Verleden conjunctief voor 'apurar' (hypothesen, wensen): apurara/apurase, apuraras/apurases, etc.
Present Subjunctive
Tegenwoordige conjunctief voor 'apurar' (wensen, twijfels, emoties): apure, apures, apure, apuremos, apuréis, apuren.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor 'apurar': no apures (jij), no apure (u), no apuréis (jullie), no apuremos (wij), no apuren (zij/u allen).
Imperative
Directe bevelen voor 'apurar': apura (jij), apure (u), apurad (jullie), apuramos (wij), apuren (zij/u allen).
Indicative
Conditional
Hypothetische/beleefde handelingen voor 'apurar': apuraría, apurarías, apuraría, apuraríamos, apuraríais, apurarían.
Preterite
Voltooide handelingen in het verleden voor 'apurar': apuré, apuraste, apuró, apuramos, apurasteis, apuraron.
Imperfect
Doorlopende/gebruikelijke handelingen in het verleden voor 'apurar': apuraba, apurabas, apuraba, apurábamos, apurabais, apuraban.
Present
Tegenwoordige handelingen/gewoonten voor 'apurar': apuro, apuras, apura, apuramos, apuráis, apuran.
Future
Toekomstige handelingen voor 'apurar': apuraré, apurarás, apurará, apuraremos, apuraréis, apurarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng apurar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'apurar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent apurar in het Spaans?
apurar betekent "haasten".
Is apurar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
apurar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je apurar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van apurar is: yo apuro, tú apuras, él/ella/usted apura, nosotros apuramos, vosotros apuráis, ellos/ellas/ustedes apuran.
Hoe vervoeg je apurar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van apurar is: yo apuré, tú apuraste, él/ella/usted apuró, nosotros apuramos, vosotros apurasteis, ellos/ellas/ustedes apuraron.
