armarVervoeging
armar betekent monteren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctive van armar volgt het -ra patroon: armara, armaras, armara, armáramos, armarais, armaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige subjunctive van armar gebruikt -e uitgangen: arme, armes, arme, armemos, arméis, armen.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief van armar gebruikt 'no' plus de tegenwoordige subjunctive vormen: no armes, no arme, no armemos, no arméis, no armen.
Imperative
De affirmatieve imperatief van armar geeft directe bevelen: arma, arme, armemos, armad, armen.
Indicative
Conditional
De conditionele van armar is regelmatig: armaría, armarías, armaría, armaríamos, armaríais, armarían.
Preterite
De verleden tijd van armar is regelmatig: armé, armaste, armó, armamos, armasteis, armaron.
Imperfect
De imperfectum van armar gebruikt de standaard -aba uitgangen: armaba, armabas, armaba, armábamos, armabais, armaban.
Present
De tegenwoordige tijd van armar is regelmatig: armo, armas, arma, armamos, armáis, arman.
Future
De toekomende tijd van armar wordt gevormd door uitgangen toe te voegen aan het hele werkwoord: armaré, armarás, armará, armaremos, armaréis, armarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng armar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'armar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent armar in het Spaans?
armar betekent "monteren".
Is armar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
armar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je armar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van armar is: yo armo, tú armas, él/ella/usted arma, nosotros armamos, vosotros armáis, ellos/ellas/ustedes arman.
Hoe vervoeg je armar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van armar is: yo armé, tú armaste, él/ella/usted armó, nosotros armamos, vosotros armasteis, ellos/ellas/ustedes armaron.
