arrasarVervoeging
arrasar means egaliseren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief van 'arrasar' heeft twee vormen (bijv. arrasara/arrasase) die gebruikt worden voor hypothetische situaties in het verleden of wensen.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief van 'arrasar' wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie: que yo arrase, que tú arrases, etc.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor 'arrasar' gebruiken de tegenwoordige tijd van de conjunctief met 'no': no arrases, no arrasemos, etc.
Imperative
Hetgebiedende wijs van 'arrasar' is grotendeels regelmatig, met 'arrasa' voor tú en 'arrasad' voor vosotros.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van 'arrasar' is regelmatig: arrasaría, arrasarías, arrasaría, arrasaríamos, arrasaríais, arrasarían.
Preterite
De preteritum van 'arrasar' is regelmatig: arrasé, arrasaste, arrasó, arrasamos, arrasasteis, arrasaron.
Imperfect
De imperfectum van 'arrasar' is regelmatig: arrasaba, arrasabas, arrasaba, arrasábamos, arrasabais, arrasaban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'arrasar' is regelmatig: arraso, arrasas, arrasa, arrasamos, arrasáis, arrasan.
Future
De toekomende tijd van 'arrasar' is regelmatig, met toevoeging van uitgangen aan het infinitief: arrasaré, arrasarás, arrasará, etc.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng arrasar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'arrasar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent arrasar in het Spaans?
arrasar betekent "egaliseren".
Is arrasar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
arrasar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je arrasar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van arrasar is: yo arraso, tú arrasas, él/ella/usted arrasa, nosotros arrasamos, vosotros arrasáis, ellos/ellas/ustedes arrasan.
Hoe vervoeg je arrasar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van arrasar is: yo arrasé, tú arrasaste, él/ella/usted arrasó, nosotros arrasamos, vosotros arrasasteis, ellos/ellas/ustedes arrasaron.
