asarVervoeging
asar means roosteren.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Als we toch eens konden roosteren! De verleden tijd van de aanvoegende wijs van asar (asara/asáramos) drukt hypothetische wensen uit uit het verleden of heden.
Present Subjunctive
Ik hoop dat ze het roosteren! De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van asar (ase, ases, asemos, asen) volgt uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Rooster het niet! Negatieve commando's voor asar gebruiken de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no ases (jij), no ase (u), no aséis (jullie), no asen (zij/u allen).
Imperative
Rooster het! De gebiedende wijs vormen voor asar zijn: asa (jij), ase (u), asad (jullie), asen (zij/u allen).
Indicative
Conditional
Asar is regelmatig in de voorwaardelijke wijs: asaría, asarías, asaría, asaríamos, asaríais, asarían.
Preterite
Asar is regelmatig in de onvoltooide verleden tijd (preterito indefinido): asé, asaste, asó, asamos, asasteis, asaron.
Imperfect
Asar was regelmatig in de onvoltooide verleden tijd (imperfecto): asaba, asabas, asaba, asábamos, asabais, asaban.
Present
Wij roosteren! De tegenwoordige tijd van asar (aso, asas, asa, asamos, asáis, asan) is voor acties die nu gebeuren of gewoonlijk gebeuren.
Future
Asar is regelmatig in de toekomende tijd: asaré, asarás, asará, asaremos, asaréis, asarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng asar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'asar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent asar in het Spaans?
asar betekent "roosteren".
Is asar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
asar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je asar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van asar is: yo aso, tú asas, él/ella/usted asa, nosotros asamos, vosotros asáis, ellos/ellas/ustedes asan.
Hoe vervoeg je asar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van asar is: yo asé, tú asaste, él/ella/usted asó, nosotros asamos, vosotros asasteis, ellos/ellas/ustedes asaron.
