asentarVervoeging
asentar betekent vestigen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs is regelmatig: asentara, asentaras, asentara, asentáramos, asentarais, asentaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van asentar volgt de stamverandering: asiente, asientes, asiente, asentemos, asentéis, asienten.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs gebruikt de tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs: no asientes, no asiente, no asentemos, no asentéis, no asienten.
Imperative
De gebiedende wijs gebruikt de stamverandering in de meeste vormen: asienta (tú), asiente (usted), asentad (vosotros).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van asentar is regelmatig: asentaría, asentarías, asentaría, asentaríamos, asentaríais, asentarían.
Preterite
Asentar is regelmatig in de onvoltooid verleden tijd: asenté, asentaste, asentó, asentamos, asentasteis, asentaron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van asentar is regelmatig: asentaba, asentabas, asentaba, asentábamos, asentabais, asentaban.
Present
Asentar is een werkwoord met stamverandering in de tegenwoordige tijd, waarbij 'e' verandert in 'ie' in alle vormen behalve nosotros en vosotros.
Future
De toekomende tijd van asentar is regelmatig: asentaré, asentarás, asentará, asentaremos, asentaréis, asentarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng asentar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'asentar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent asentar in het Spaans?
asentar betekent "vestigen".
Is asentar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
asentar is een irregular (stem-changing) -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je asentar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van asentar is: yo asiento, tú asientas, él/ella/usted asienta, nosotros asentamos, vosotros asentáis, ellos/ellas/ustedes asientan.
Hoe vervoeg je asentar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van asentar is: yo asenté, tú asentaste, él/ella/usted asentó, nosotros asentamos, vosotros asentasteis, ellos/ellas/ustedes asentaron.
