bañarVervoeging
bañar betekent wassen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik 'bañara' of 'bañase' voor hypothetische situaties of wensen in het verleden.
Present Subjunctive
Gebruik 'bañe' (ik/hij/zij/u), 'bañes' (jij), 'bañemos' (wij), 'bañéis' (jullie), 'bañen' (zij/jullie) na werkwoorden van wens, twijfel, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no bañes' (jij), 'no bañe' (u), 'no bañemos' (wij), 'no bañen' (jullie/zij), 'no bañéis' (jullie) voor negatieve bevelen.
Imperative
Gebruik 'baña' (jij), 'bañe' (u), 'bañemos' (wij), 'bañen' (jullie/zij), 'bañad' (jullie) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
Gebruik 'bañaría', 'bañarías', 'bañaría', 'bañaríamos', 'bañaríais', 'bañarían' voor hypothetische situaties of beleefde verzoeken.
Preterite
Gebruik 'bañé', 'bañaste', 'bañó', 'bañamos', 'bañasteis', 'bañaron' voor voltooide acties zoals baden op een specifiek tijdstip.
Imperfect
Gebruik 'bañaba', 'bañabas', 'bañaba', 'bañábamos', 'bañabais', 'bañaban' voor voortdurende of gebruikelijke acties in het verleden, zoals dagelijks baden.
Present
Gebruik 'baño', 'bañas', 'baña', 'bañamos', 'bañáis', 'bañan' voor huidige of gebruikelijke acties zoals dagelijks baden.
Future
Gebruik 'bañaré', 'bañarás', 'bañará', 'bañaremos', 'bañaréis', 'bañarán' voor acties die in de toekomst zullen plaatsvinden.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng bañar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'bañar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent bañar in het Spaans?
bañar betekent "wassen".
Is bañar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
bañar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je bañar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van bañar is: yo baño, tú bañas, él/ella/usted baña, nosotros bañamos, vosotros bañáis, ellos/ellas/ustedes bañan.
Hoe vervoeg je bañar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van bañar is: yo bañé, tú bañaste, él/ella/usted bañó, nosotros bañamos, vosotros bañasteis, ellos/ellas/ustedes bañaron.
