bendecirVervoeging
bendecir betekent zegenen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de conjunctief gebruikt de stam 'bendij-': bendijera, bendijeras, bendijera...
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief gebruikt de stam 'bendig-': bendiga, bendigas, bendiga...
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief gebruikt de tegenwoordige tijd van de conjunctief: no bendigas, no bendiga...
Imperative
De imperatief gebruikt 'bendice' voor 'tú' en 'bendiga' voor 'usted'.
Indicative
Conditional
De conditioneel van bendecir is regelmatig: bendeciría, bendecirías, bendeciría...
Preterite
Bendecir is zeer onregelmatig in de verleden tijd, met de stam 'bendij-' en speciale uitgangen.
Imperfect
Bendecir is volledig regelmatig in de imperfectum: bendecía, bendecías, bendecía...
Present
Bendecir is onregelmatig in de tegenwoordige tijd, waarbij de stam verandert naar 'bendig-' in de 'yo'-vorm en 'bendic-' in de andere vormen.
Future
Bendecir is regelmatig in de toekomende tijd, met behulp van het volledige infinitief: bendeciré, bendecirás...
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng bendecir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'bendecir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent bendecir in het Spaans?
bendecir betekent "zegenen".
Is bendecir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
bendecir is een irregular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je bendecir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van bendecir is: yo bendigo, tú bendices, él/ella/usted bendice, nosotros bendecimos, vosotros bendecís, ellos/ellas/ustedes bendicen.
Hoe vervoeg je bendecir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van bendecir is: yo bendije, tú bendijiste, él/ella/usted bendijo, nosotros bendijimos, vosotros bendijisteis, ellos/ellas/ustedes bendijeron.
