caminarVervoeging
caminar betekent lopen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
Caminar is een standaard -ar werkwoord in de tegenwoordige tijd: camino, caminas, camina, caminamos, camináis, caminan.
Future
Caminar is regelmatig in de toekomende tijd: caminaré, caminarás, caminará, caminaremos, caminaréis, caminarán.
Imperfect
Caminar is regelmatig in de imperfectum: caminaba, caminabas, caminaba, caminábamos, caminabais, caminaban.
Conditional
Caminar is regelmatig in de conditioneel: caminaría, caminarías, caminaría, caminaríamos, caminaríais, caminarían.
Preterite
Caminar is regelmatig in de preteritum: caminé, caminaste, caminó, caminamos, caminasteis, caminaron.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief gebruikt de tegenwoordige tijd subjunctief: no camines, no camine, no caminemos, no caminéis, no caminen.
Imperative
De affirmatieve imperatief van caminar is: camina (tú), camine (usted), caminemos (nosotros), caminad (vosotros), caminen (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
Caminar in de tegenwoordige tijd subjunctief verandert de 'a' in 'e': camine, camines, camine, caminemos, caminéis, caminen.
Imperfect Subjunctive
De imperfectum subjunctief van caminar gebruikt de -ra uitgangen: caminara, caminaras, caminara, camináramos, caminarais, caminaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng caminar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'caminar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent caminar in het Spaans?
caminar betekent "lopen".
Is caminar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
caminar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je caminar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van caminar is: yo camino, tú caminas, él/ella/usted camina, nosotros caminamos, vosotros camináis, ellos/ellas/ustedes caminan.
Hoe vervoeg je caminar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van caminar is: yo caminé, tú caminaste, él/ella/usted caminó, nosotros caminamos, vosotros caminasteis, ellos/ellas/ustedes caminaron.
