casarVervoeging
casar betekent trouwen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
'Casar' is een regelmatig -ar werkwoord in de tegenwoordige tijd: caso, casas, casa, casamos, casáis, casan.
Future
De toekomende tijd van 'casar' wordt gevormd door uitgangen aan het hele werkwoord toe te voegen: casaré, casarás, casará, casaremos, casaréis, casarán.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van 'casar' volgt het regelmatige -aba patroon: casaba, casabas, casaba, casábamos, casabais, casaban.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'casar' is regelmatig: casaría, casarías, casaría, casaríamos, casaríais, casarían.
Preterite
De verleden tijd van 'casar' is regelmatig: casé, casaste, casó, casamos, casasteis, casaron.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van 'casar' gebruikt de tegenwoordige aanvoegende wijs: no cases, no case, no casemos, no caséis, no casen.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'casar' geeft bevelen: casa, case, casemos, casad, casen.
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs van 'casar' gebruikt de -e uitgangen: case, cases, case, casemos, caséis, casen.
Imperfect Subjunctive
De verleden aanvoegende wijs van 'casar' gebruikt de -ara uitgangen: casara, casaras, casara, casáramos, casarais, casaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng casar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'casar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent casar in het Spaans?
casar betekent "trouwen".
Is casar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
casar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je casar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van casar is: yo caso, tú casas, él/ella/usted casa, nosotros casamos, vosotros casáis, ellos/ellas/ustedes casan.
Hoe vervoeg je casar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van casar is: yo casé, tú casaste, él/ella/usted casó, nosotros casamos, vosotros casasteis, ellos/ellas/ustedes casaron.
