casar
“casar” betekent “trouwen” in het Spaans. Het heeft 3 verschillende betekenissen, afhankelijk van de context:
trouwen, in de echt verbinden

📝 In Actie
El juez casó a la pareja en el ayuntamiento.
B1De rechter trouwde het stel in het gemeentehuis.
Mi tío, que es sacerdote, casará a mi hermana.
B1Mijn oom, die priester is, zal mijn zus trouwen.
trouwen, in het huwelijksbootje stappen

📝 In Actie
¿Cuándo te casas con tu novia?
A2Wanneer trouw jij met je vriendin?
Mis padres se casaron hace treinta años.
A2Mijn ouders zijn dertig jaar geleden getrouwd.
Ella no quiere casarse todavía.
A2Zij wil nog niet trouwen.
passen, goed samengaan
Ook: combineren
📝 In Actie
El vino tinto no casa bien con el pescado.
B2Rode wijn past niet goed bij vis.
Estos colores no casan; son demasiado diferentes.
B2Deze kleuren passen niet bij elkaar; ze zijn te verschillend.
🔄 Vervoegingen
indicative
present
imperfect
preterite
subjunctive
present
imperfect
Vocabulary Collections
Vertaal naar het Spaans
✏️ Snelle oefening
Snelle Quiz: casar
Vraag 1 van 2
Welke zin gebruikt 'casar' correct om 'trouwen' (in de zin van het zelf aangaan van het huwelijk) aan te duiden?
📚 Meer bronnen
👥 Woordfamilie▼
📚 Etymologie▼
Het woord komt rechtstreeks van het Latijnse *casare*, wat 'een huis bouwen' of 'een thuis vestigen' betekende. In de loop van de tijd werd dit concept van het stichten van een gezin synoniem met trouwen en een familie-eenheid beginnen.
Eerste vermelding: Early Middle Ages
Cognaten (Verwante woorden)
💡 Beheers Spaans
Til je Spaans naar een hoger niveau. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen op jouw niveau met de Inklingo app!
Veelgestelde Vragen
Wat is het verschil tussen 'casar' en 'casarse'?
'Casar' (zonder 'se') betekent 'trouwen' of 'de bruiloft voltrekken' (gedaan door een rechter of priester). 'Casarse' (met 'se') betekent 'trouwen' (gedaan door het stel zelf). Dit is vergelijkbaar met het verschil tussen 'iemand trouwen' en 'met iemand trouwen' in het Nederlands.
Hoe zeg ik 'Ik ben getrouwd'?
Je gebruikt het voltooid deelwoord 'casado' (of 'casada' als je vrouw bent) met het werkwoord 'estar': 'Estoy casado/a.' (Ik ben getrouwd.)


