castigarVervoeging
castigar betekent straffen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de aanvoegende wijs van castigar is regelmatig, gebaseerd op de derde persoon verleden tijd: castigara, castigaras, castigara...
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs van castigar vereist een 'u' na de 'g' (castigue) om de harde 'g'-klank te behouden.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van castigar gebruikt 'no' + tegenwoordige tijd van de aanvoegende wijs, altijd inclusief de 'u' (no castigues).
Imperative
De bevestigende gebiedende wijs gebruikt 'castiga' (tú) en 'castigue' (usted), met de 'u'-spellingwijziging in formele vormen.
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van castigar is regelmatig: castigaría, castigarías, castigaría, castigaríamos, castigaríais, castigarían.
Preterite
De verleden tijd van castigar is regelmatig, behalve de 'yo'-vorm (castigué), die een 'u' toevoegt om de harde 'g'-klank te behouden.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van castigar is regelmatig: castigaba, castigabas, castigaba, castigábamos, castigabais, castigaban.
Present
De tegenwoordige tijd van castigar is volledig regelmatig: castigo, castigas, castiga, castigamos, castigáis, castigan.
Future
De toekomende tijd van castigar is regelmatig: castigaré, castigarás, castigará, castigaremos, castigaréis, castigarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng castigar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'castigar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent castigar in het Spaans?
castigar betekent "straffen".
Is castigar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
castigar is een regular with spelling change -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je castigar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van castigar is: yo castigo, tú castigas, él/ella/usted castiga, nosotros castigamos, vosotros castigáis, ellos/ellas/ustedes castigan.
Hoe vervoeg je castigar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van castigar is: yo castigué, tú castigaste, él/ella/usted castigó, nosotros castigamos, vosotros castigasteis, ellos/ellas/ustedes castigaron.
