causarVervoeging
causar betekent veroorzaken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
'Causar' is volledig regelmatig in de tegenwoordige tijd: causo, causas, causa, causamos, causáis, causan.
Future
De toekomende tijd van 'causar' wordt gevormd door uitgangen toe te voegen aan het hele werkwoord: causaré, causarás, causará, causaremos, causaréis, causarán.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'causar' volgt het standaard -aba patroon: causaba, causabas, causaba, causábamos, causabais, causaban.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'causar' is regelmatig: causaría, causarías, causaría, causaríamos, causaríais, causarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'causar' is regelmatig: causé, causaste, causó, causamos, causasteis, causaron.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van 'causar' gebruikt de tegenwoordige aanvoegende wijs: no causes, no cause, no causemos, no causéis, no causen.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'causar' gebruikt de tegenwoordige tijd voor 'tú' en de aanvoegende wijs voor de rest: causa, cause, causemos, causad, causen.
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs van 'causar' gebruikt -e uitgangen: cause, causes, cause, causemos, causéis, causen.
Imperfect Subjunctive
De onvoltooid verleden toekomende tijd van 'causar' is regelmatig: causara, causaras, causara, causáramos, causarais, causaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng causar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'causar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent causar in het Spaans?
causar betekent "veroorzaken".
Is causar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
causar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je causar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van causar is: yo causo, tú causas, él/ella/usted causa, nosotros causamos, vosotros causáis, ellos/ellas/ustedes causan.
Hoe vervoeg je causar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van causar is: yo causé, tú causaste, él/ella/usted causó, nosotros causamos, vosotros causasteis, ellos/ellas/ustedes causaron.
