cazarVervoeging
cazar betekent jagen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De tegenwoordige tijd van 'cazar' is volledig regelmatig: cazo, cazas, caza, cazamos, cazáis, cazan.
Future
De toekomende tijd van 'cazar' is regelmatig: voeg de uitgangen toe aan het hele werkwoord (cazaré, cazarás, cazará, etc.).
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'cazar' is regelmatig: cazaba, cazabas, cazaba, cazábamos, cazabais, cazaban.
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'cazar' is regelmatig: cazaría, cazarías, cazaría, cazaríamos, cazaríais, cazarían.
Preterite
De verleden tijd van 'cazar' heeft een spellingwijziging in de 'yo'-vorm (cacé) om de zachte 'th/s'-klank te behouden.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van 'cazar' gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no caces, no cace, no cacemos, no cacéis, no cacen.
Imperative
De gebiedende wijs van 'cazar' geeft bevelen: caza (tú), cace (usted), cacemos (nosotros), cazad (vosotros), cacen (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van 'cazar' gebruikt een 'c' in plaats van een 'z' in alle vormen: cace, caces, cace, cacemos, cacéis, cacen.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooid verleden tijd van 'cazar' is regelmatig: cazara, cazaras, cazara, cazáramos, cazarais, cazaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng cazar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'cazar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent cazar in het Spaans?
cazar betekent "jagen".
Is cazar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
cazar is een regular (with spelling change) -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je cazar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van cazar is: yo cazo, tú cazas, él/ella/usted caza, nosotros cazamos, vosotros cazáis, ellos/ellas/ustedes cazan.
Hoe vervoeg je cazar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van cazar is: yo cacé, tú cazaste, él/ella/usted cazó, nosotros cazamos, vosotros cazasteis, ellos/ellas/ustedes cazaron.
