cederVervoeging
ceder means opgeven.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfectum conjunctief van ceder (cediera/cediese) wordt gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief van ceder (ceda, cedas, etc.) wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie en in negatieve bevelen.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor ceder gebruiken de tegenwoordige tijd van de conjunctief: no cedas (jij), no ceda (u), no cedamos (wij), no cedáis (jullie), no cedan (zij/u allen).
Imperative
Gebruik het 'ceder' imperatief voor directe bevelen: cede (jij), ceda (u), cedamos (wij), ceded (jullie), cedan (zij/u allen).
Indicative
Conditional
De conditioneel van ceder (cedería, cederías, etc.) wordt gebruikt voor hypothetische situaties, beleefde verzoeken en toekomende tijd in het verleden.
Preterite
De preteritum van ceder is regelmatig: cedí, cediste, cedió, cedimos, cedisteis, cedieron.
Imperfect
De imperfectum van ceder (cedía, cedías, etc.) beschrijft doorlopende, gebruikelijke of achtergrondhandelingen in het verleden.
Present
De tegenwoordige tijd van ceder (cedo, cedes, cede, cedemos, cedéis, ceden) beschrijft gebruikelijke handelingen, algemene waarheden of dingen die nu gebeuren.
Future
De toekomende tijd van ceder (cederé, cederás, etc.) geeft aan dat acties zullen plaatsvinden of drukt waarschijnlijkheid uit.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng ceder van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'ceder' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent ceder in het Spaans?
ceder betekent "opgeven".
Is ceder een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
ceder is een regular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je ceder in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van ceder is: yo cedo, tú cedes, él/ella/usted cede, nosotros cedemos, vosotros cedéis, ellos/ellas/ustedes ceden.
Hoe vervoeg je ceder in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van ceder is: yo cedí, tú cediste, él/ella/usted cedió, nosotros cedimos, vosotros cedisteis, ellos/ellas/ustedes cedieron.
