cocerVervoeging
cocer means koken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd conjunctief gebruikt de preteritum stam: cociera, cocieras, cociera, cociéramos, cocierais, cocieran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief volgt de 'yo'-vormverandering: cueza, cuezas, cueza, cozamos, cozáis, cuezan.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve gebiedende wijs gebruikt de tegenwoordige tijd conjunctief: no cuezas, no cueza, no cozamos, no cozáis, no cuezan.
Imperative
De gebiedende wijs gebruikt 'cuece' voor tú en 'cueza/n' voor formele bevelen.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van cocer is regelmatig: cocería, cocerías, cocería, coceríamos, coceríais, cocerían.
Preterite
Cocer is regelmatig in de preteritum: cocí, cociste, coció, cocimos, cocisteis, cocieron.
Imperfect
De verleden tijd onvoltooid van cocer is regelmatig: cocía, cocías, cocía, cocíamos, cocíais, cocían.
Present
Cocer is een werkwoord met stamverandering (o naar ue) met een spellingverandering in de 'yo'-vorm (z in plaats van c).
Future
De toekomende tijd van cocer is regelmatig: coceré, cocerás, cocerá, coceremos, coceréis, cocerán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng cocer van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'cocer' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent cocer in het Spaans?
cocer betekent "koken".
Is cocer een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
cocer is een irregular (stem-changing and spelling changes) -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je cocer in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van cocer is: yo cuezo, tú cueces, él/ella/usted cuece, nosotros cocemos, vosotros cocéis, ellos/ellas/ustedes cuecen.
Hoe vervoeg je cocer in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van cocer is: yo cocí, tú cociste, él/ella/usted coció, nosotros cocimos, vosotros cocisteis, ellos/ellas/ustedes cocieron.
