colarVervoeging
colar means zeven.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De verleden tijd van de conjunctief van 'colar' is regelmatig: colara, colaras, colara, coláramos, colarais, colaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige tijd van de conjunctief van 'colar' volgt de stamverandering o > ue: cuele, cueles, cuele, colemos, coléis, cuelen.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief gebruikt de vormen van de conjunctief tegenwoordige tijd: no cueles, no cuele, no colemos, no coléis, no cuelen.
Imperative
De imperatief gebruikt 'cuela' (tú) en 'cuele' (usted), volgens de stamverandering.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van 'colar' is regelmatig: colaría, colarías, colaría, colaríamos, colaríais, colarían.
Preterite
'Colar' is volledig regelmatig in de preteritum: colé, colaste, coló, colamos, colasteis, colaron.
Imperfect
'Colar' is regelmatig in de imperfectum: colaba, colabas, colaba, colábamos, colabais, colaban.
Present
'Colar' verandert zijn stam van 'o' naar 'ue' in de tegenwoordige tijd, behalve voor nosotros en vosotros.
Future
De toekomende tijd van 'colar' is regelmatig: colaré, colarás, colará, colaremos, colaréis, colarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng colar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'colar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent colar in het Spaans?
colar betekent "zeven".
Is colar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
colar is een irregular (stem-changing) -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je colar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van colar is: yo cuelo, tú cuelas, él/ella/usted cuela, nosotros colamos, vosotros coláis, ellos/ellas/ustedes cuelan.
Hoe vervoeg je colar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van colar is: yo colé, tú colaste, él/ella/usted coló, nosotros colamos, vosotros colasteis, ellos/ellas/ustedes colaron.
