compararVervoeging
comparar means vergelijken.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooide verleden tijd van 'comparar' komt van de 'ellos'-vorm van de verleden tijd: comparara, compararas, comparara.
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van 'comparar' wisselt de 'a' voor een 'e': compare, compares, compare, comparemos, comparéis, comparen.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van 'comparar' gebruikt 'no' plus de vormen van de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd.
Imperative
De gebiedende wijs van 'comparar' geeft directe bevelen: compara (tú), comparad (vosotros), compare (usted).
Indicative
Conditional
De conditionele wijs van 'comparar' gebruikt het hele werkwoord plus de -ía uitgangen: compararía, compararías, compararía.
Preterite
De verleden tijd van 'comparar' is regelmatig: comparé, comparaste, comparó, comparamos, comparasteis, compararon.
Imperfect
De onvoltooide verleden tijd van 'comparar' volgt het standaard -aba patroon: comparaba, comparabas, comparaba, comparábamos.
Present
De tegenwoordige tijd van 'comparar' is regelmatig: comparo, comparas, compara, comparamos, comparáis, comparan.
Future
De toekomende tijd van 'comparar' wordt gevormd door -é, -ás, -á, -emos, -éis, -án toe te voegen aan het hele werkwoord.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng comparar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'comparar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent comparar in het Spaans?
comparar betekent "vergelijken".
Is comparar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
comparar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je comparar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van comparar is: yo comparo, tú comparas, él/ella/usted compara, nosotros comparamos, vosotros comparáis, ellos/ellas/ustedes comparan.
Hoe vervoeg je comparar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van comparar is: yo comparé, tú comparaste, él/ella/usted comparó, nosotros comparamos, vosotros comparasteis, ellos/ellas/ustedes compararon.
