comparecerVervoeging
comparecer betekent verschijnen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gevormd uit de 'ellos'-preteritum, resulterend in compareciera, comparecieras, etc.
Present Subjunctive
Alle vormen van de tegenwoordige aanvoegende wijs van comparecer gebruiken de 'zc'-stam: comparezca, comparezcas, etc.
Imperative
Negative Imperative
De negatieve imperatief gebruikt altijd de 'zc'-aanvoegende wijsvormen: no comparezcas, no comparezca.
Imperative
De imperatief gebruikt 'comparece' voor 'tú' en de 'zc'-vormen voor formele bevelen.
Indicative
Conditional
De conditioneel van comparecer is regelmatig: comparecería, comparecerías, etc.
Preterite
Comparecer is volledig regelmatig in de preteritum: comparecí, compareciste, compareció.
Imperfect
Comparecer is regelmatig in de imperfectum: comparecía, comparecías, comparecía.
Present
Comparecer heeft een 'z' in de 'yo'-vorm (comparezco), maar is verder een regelmatig -er werkwoord.
Future
Comparecer is regelmatig in de toekomende tijd; voeg eenvoudig de uitgangen toe aan het volledige infinitief.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng comparecer van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'comparecer' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent comparecer in het Spaans?
comparecer betekent "verschijnen".
Is comparecer een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
comparecer is een irregular (spelling change) -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je comparecer in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van comparecer is: yo comparezco, tú compareces, él/ella/usted comparece, nosotros comparecemos, vosotros comparecéis, ellos/ellas/ustedes comparecen.
Hoe vervoeg je comparecer in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van comparecer is: yo comparecí, tú compareciste, él/ella/usted compareció, nosotros comparecimos, vosotros comparecisteis, ellos/ellas/ustedes comparecieron.
