comprarVervoeging
comprar betekent kopen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
Comprar is een regelmatig -ar werkwoord in de tegenwoordige tijd: compro, compras, compra, compramos, compráis, compran.
Future
De toekomende tijd van comprar wordt gevormd door uitgangen toe te voegen aan het hele werkwoord: compraré, comprarás, comprará, compraremos, compraréis, comprarán.
Imperfect
De imperfectum van comprar gebruikt de regelmatige -aba uitgangen: compraba, comprabas, compraba, comprábamos, comprabais, compraban.
Conditional
De conditionele van comprar is regelmatig: compraría, comprarías, compraría, compraríamos, compraríais, comprarían.
Preterite
De verleden tijd van comprar is regelmatig: compré, compraste, compró, compramos, comprasteis, compraron.
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van comprar gebruikt de aanvoegende wijs tegenwoordige tijd: no compres, no compre, no compremos, no compréis, no compren.
Imperative
De gebiedende wijs van comprar geeft bevelen: compra (tú), compre (usted), compremos, comprad (vosotros), compren.
Subjunctive
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van comprar gebruikt -e uitgangen: compre, compres, compre, compremos, compréis, compren.
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs verleden tijd van comprar wordt opgebouwd uit de stam van de verleden tijd: comprara, compraras, comprara, compráramos, comprarais, compraran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng comprar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'comprar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent comprar in het Spaans?
comprar betekent "kopen".
Is comprar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
comprar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je comprar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van comprar is: yo compro, tú compras, él/ella/usted compra, nosotros compramos, vosotros compráis, ellos/ellas/ustedes compran.
Hoe vervoeg je comprar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van comprar is: yo compré, tú compraste, él/ella/usted compró, nosotros compramos, vosotros comprasteis, ellos/ellas/ustedes compraron.
