contagiarVervoeging
contagiar means besmetten.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief, zoals 'contagiara' of 'contagiase', wordt gebruikt voor hypothetische situaties of wensen in het verleden.
Present Subjunctive
Gebruik de tegenwoordige tijd van de conjunctief zoals 'contagie' na twijfel, wensen of emoties.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik 'no contagies' (jij) voor negatieve bevelen, gebaseerd op de tegenwoordige tijd van de conjunctief.
Imperative
Gebruik imperatiefvormen zoals 'contagia' (jij) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
Gebruik de conditionele vorm 'contagiaría' voor hypothetische situaties ('zou') of beleefde verzoeken.
Preterite
Gebruik de regelmatige preteritum 'contagié', 'contagiaste', 'contagió' voor voltooide acties in het verleden.
Imperfect
Gebruik de imperfectum 'contagiaba' voor doorlopende of gebruikelijke acties in het verleden.
Present
Gebruik de regelmatige tegenwoordige tijd 'contagio', 'contagias', 'contagia' voor huidige of gebruikelijke acties.
Future
Gebruik de toekomende tijd 'contagiaré', 'contagiarás' voor acties die zullen gebeuren.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng contagiar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'contagiar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent contagiar in het Spaans?
contagiar betekent "besmetten".
Is contagiar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
contagiar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je contagiar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van contagiar is: yo contagio, tú contagias, él/ella/usted contagia, nosotros contagiamos, vosotros contagiáis, ellos/ellas/ustedes contagian.
Hoe vervoeg je contagiar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van contagiar is: yo contagié, tú contagiaste, él/ella/usted contagió, nosotros contagiamos, vosotros contagiasteis, ellos/ellas/ustedes contagiaron.
