convivirVervoeging
convivir means samenleven.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De imperfecte conjunctief van convivir (conviviera/conviviera/conviviéramos/convivieran/convivierais) drukt hypothetische situaties in het verleden of wensen uit.
Present Subjunctive
De conjunctief tegenwoordige tijd van convivir (conviva, convivas, convivamos, convivan, conviváis) wordt gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie of onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor convivir gebruiken de conjunctief tegenwoordige tijd: no convivas (jij), no conviva (u), no convivamos (wij), no convivan (jullie/zij), no conviváis (jullie).
Imperative
Gebiedende wijs van convivir: convive (jij), conviva (u), convivamos (wij), convivan (jullie/zij), vivid (jullie).
Indicative
Conditional
De conditionele wijs van convivir is regelmatig: conviviría, convivirías, conviviría, conviviríamos, conviviríais, convivirían.
Preterite
De pretérito perfecto simple van convivir is regelmatig: conví, conviviste, convivió, convivimos, convivisteis, convivieron.
Imperfect
De imperfectum van convivir is regelmatig: convivía, convivías, convivía, convivíamos, convivíais, convivían.
Present
De tegenwoordige tijd van convivir is regelmatig: convivo, convives, convive, convivimos, convivís, conviven.
Future
De toekomende tijd van convivir is regelmatig: conviviré, convivirás, convivirá, conviviremos, conviviréis, convivirán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng convivir van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'convivir' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent convivir in het Spaans?
convivir betekent "samenleven".
Is convivir een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
convivir is een regular -ir werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je convivir in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van convivir is: yo convivo, tú convives, él/ella/usted convive, nosotros convivimos, vosotros convivís, ellos/ellas/ustedes conviven.
Hoe vervoeg je convivir in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van convivir is: yo conviví, tú conviviste, él/ella/usted convivió, nosotros convivimos, vosotros convivisteis, ellos/ellas/ustedes convivieron.
