correrVervoeging
correr betekent rennen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
De presente indicativo van 'correr' is een standaard werkwoord op -er: corro, corres, corre, corremos, corréis, corren.
Future
De futuro simple van 'correr' is regelmatig, waarbij uitgangen aan het hele werkwoord worden toegevoegd: correré, correrás, correrá, correremos, correréis, correrán.
Imperfect
De imperfectum van 'correr' is regelmatig, met de uitgangen -ía: corría, corrías, corría, corríamos, corríais, corrían.
Conditional
De condicional simple van 'correr' is regelmatig: correría, correrías, correría, correríamos, correríais, correrían.
Preterite
De pretérito perfecto simple van 'correr' is regelmatig: corrí, corriste, corrió, corrimos, corristeis, corrieron.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve bevelen voor 'correr' gebruiken de presente de subjuntivo: no corras, no corra, no corramos, no corráis, no corran.
Imperative
Affirmatieve bevelen voor 'correr' zijn: corre (tú), corra (usted), corramos (nosotros), corred (vosotros), corran (ustedes).
Subjunctive
Present Subjunctive
De presente de subjuntivo van 'correr' gebruikt de -a uitgangen: corra, corras, corra, corramos, corráis, corran.
Imperfect Subjunctive
De imperfecto de subjuntivo van 'correr' gebruikt de -ra uitgangen: corriera, corrieras, corriera, corriéramos, corrierais, corrieran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng correr van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'correr' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent correr in het Spaans?
correr betekent "rennen".
Is correr een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
correr is een regular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je correr in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van correr is: yo corro, tú corres, él/ella/usted corre, nosotros corremos, vosotros corréis, ellos/ellas/ustedes corren.
Hoe vervoeg je correr in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van correr is: yo corrí, tú corriste, él/ella/usted corrió, nosotros corrimos, vosotros corristeis, ellos/ellas/ustedes corrieron.
