cortarVervoeging
cortar betekent knippen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Indicative
Present
'Cortar' is een regelmatig -ar werkwoord in de tegenwoordige tijd: corto, cortas, corta, cortamos, cortáis, cortan.
Future
De toekomende tijd van 'cortar' wordt gevormd door uitgangen toe te voegen aan het hele werkwoord: cortaré, cortarás, cortará, cortaremos, cortaréis, cortarán.
Imperfect
'Cortar' in de imperfectum volgt het regelmatige -aba patroon: cortaba, cortabas, cortaba, cortábamos, cortabais, cortaban.
Conditional
De conditionele tijd van 'cortar' gebruikt het hele werkwoord plus -ía uitgangen: cortaría, cortarías, cortaría, cortaríamos, cortaríais, cortarían.
Preterite
De verleden tijd van 'cortar' is regelmatig: corté, cortaste, cortó, cortamos, cortasteis, cortaron.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van 'cortar' gebruikt 'no' plus de tegenwoordige conjunctief: no cortes, no corte, no cortemos, no cortéis, no corten.
Imperative
Het gebiedende wijs van 'cortar' geeft directe bevelen: corta (jij), cortad (jullie), corte(n) (u/zij).
Subjunctive
Present Subjunctive
De tegenwoordige conjunctief van 'cortar' gebruikt -e uitgangen: corte, cortes, corte, cortemos, cortéis, corten.
Imperfect Subjunctive
De verleden conjunctief van 'cortar' is gebaseerd op de 'ellos' verleden tijd: cortara, cortaras, cortara, cortáramos, cortarais, cortaran.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng cortar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'cortar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent cortar in het Spaans?
cortar betekent "knippen".
Is cortar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
cortar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je cortar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van cortar is: yo corto, tú cortas, él/ella/usted corta, nosotros cortamos, vosotros cortáis, ellos/ellas/ustedes cortan.
Hoe vervoeg je cortar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van cortar is: yo corté, tú cortaste, él/ella/usted cortó, nosotros cortamos, vosotros cortasteis, ellos/ellas/ustedes cortaron.
