coserVervoeging
coser means naaien.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Onvoltooid verleden tijd conjunctief van 'coser' (cosiera/cosiese vormen) gebruikt voor hypothetische situaties in het verleden, wensen of beleefde verzoeken.
Present Subjunctive
Tegenwoordige tijd conjunctief van 'coser' (cosa, cosas, etc.) gebruikt na uitdrukkingen van twijfel, verlangen, emotie en onzekerheid.
Imperative
Negative Imperative
Ontkennende gebiedende wijs van 'coser': no cosas (jij), no cosa (u), no cosamos (wij), no cosáis (jullie), no cosan (zij/u allen).
Imperative
Gebiedende wijs van 'coser': cose (jij), cosa (u), cosamos (wij), cosed (jullie), cosan (zij/u allen).
Indicative
Conditional
Voorwaardelijke wijs van 'coser': cosería, coserías, cosería, etc., voor 'zou'-acties, beleefde verzoeken of toekomst in het verleden.
Preterite
De voltooid verleden tijd van 'coser' is regelmatig: cosí, cosiste, cosió, cosimos, cosisteis, cosieron.
Imperfect
Onvoltooid verleden tijd van 'coser': cosía, cosías, cosía, cosíamos, cosíais, cosían, voor doorlopende of gebruikelijke acties in het verleden.
Present
Tegenwoordige tijd van 'coser': coso, coses, cose, cosemos, coséis, cosen, gebruikt voor actuele acties, gewoontes en algemene waarheden.
Future
Toekomende tijd van 'coser': coseré, coserás, coserá, etc., voor acties die zullen gebeuren.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng coser van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'coser' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent coser in het Spaans?
coser betekent "naaien".
Is coser een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
coser is een regular -er werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je coser in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van coser is: yo coso, tú coses, él/ella/usted cose, nosotros cosemos, vosotros coséis, ellos/ellas/ustedes cosen.
Hoe vervoeg je coser in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van coser is: yo cosí, tú cosiste, él/ella/usted cosió, nosotros cosimos, vosotros cosisteis, ellos/ellas/ustedes cosieron.
