dañarVervoeging
dañar betekent beschadigen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De onvoltooid verleden aanvoegende wijs van dañar wordt gevormd uit de 'ellos' voltooid verleden tijd: dañara, dañaras, dañara, dañáramos, dañarais, dañaran.
Present Subjunctive
De tegenwoordige aanvoegende wijs van dañar gebruikt -e uitgangen: dañe, dañes, dañe, dañemos, dañéis, dañen.
Imperative
Negative Imperative
Het ontkennende gebiedende wijs van dañar gebruikt 'no' plus de tegenwoordige aanvoegende wijs: no dañes, no dañe, no dañemos, no dañéis, no dañen.
Imperative
Het bevestigende gebiedende wijs van dañar gebruikt: daña (tú), dañe (usted), dañad (vosotros), dañen (ustedes).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van dañar voegt -ía uitgangen toe aan het hele werkwoord: dañaría, dañarías, dañaría, dañaríamos, dañaríais, dañarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van dañar is regelmatig: dañé, dañaste, dañó, dañamos, dañasteis, dañaron.
Imperfect
Dañar in de onvoltooid verleden tijd volgt het regelmatige -aba patroon: dañaba, dañabas, dañaba, dañábamos, dañabais, dañaban.
Present
Dañar is een regelmatige -ar werkwoord in de tegenwoordige tijd: daño, dañas, daña, dañamos, dañáis, dañan.
Future
De toekomende tijd van dañar gebruikt het hele werkwoord als stam: dañaré, dañarás, dañará, dañaremos, dañaréis, dañarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng dañar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'dañar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent dañar in het Spaans?
dañar betekent "beschadigen".
Is dañar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
dañar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je dañar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van dañar is: yo daño, tú dañas, él/ella/usted daña, nosotros dañamos, vosotros dañáis, ellos/ellas/ustedes dañan.
Hoe vervoeg je dañar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van dañar is: yo dañé, tú dañaste, él/ella/usted dañó, nosotros dañamos, vosotros dañasteis, ellos/ellas/ustedes dañaron.
