delirarVervoeging
delirar betekent delirium hebben.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
De aanvoegende wijs onvoltooid verleden tijd van 'delirar' heeft twee vormen: delirara/delirase (ik/hij/zij/u) tot deliraran/delirasen (zij/u allen).
Present Subjunctive
De aanvoegende wijs tegenwoordige tijd van 'delirar' is: delire (ik/hij/zij/u), delires (jij), deliremos (wij), deliren (zij/u allen), deliréis (jullie).
Imperative
Negative Imperative
De ontkennende gebiedende wijs van 'delirar' is: no delires (jij), no delire (u), no deliremos (wij), no deliren (jullie/zij), no deliréis (jullie).
Imperative
Het 'delirar' (koortsig zijn) in de gebiedende wijs is: delira (jij), delire (u), deliremos (wij), deliren (jullie/zij), delirad (jullie).
Indicative
Conditional
De voorwaardelijke wijs van 'delirar' is regelmatig: deliraría, delirarías, deliraría, deliraríamos, deliraríais, delirarían.
Preterite
De verleden tijd (preteritum) van 'delirar' is regelmatig: deliré, deliraste, deliró, deliramos, delirasteis, deliraron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van 'delirar' is regelmatig: deliraba, delirabas, deliraba, delirábamos, delirabais, deliraban.
Present
De tegenwoordige tijd van 'delirar' is regelmatig: deliro, deliras, delira, deliramos, deliráis, deliran.
Future
De toekomende tijd van 'delirar' is regelmatig: deliraré, delirarás, delirará, deliraremos, deliraréis, delirarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng delirar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'delirar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent delirar in het Spaans?
delirar betekent "delirium hebben".
Is delirar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
delirar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je delirar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van delirar is: yo deliro, tú deliras, él/ella/usted delira, nosotros deliramos, vosotros deliráis, ellos/ellas/ustedes deliran.
Hoe vervoeg je delirar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van delirar is: yo deliré, tú deliraste, él/ella/usted deliró, nosotros deliramos, vosotros delirasteis, ellos/ellas/ustedes deliraron.
