denominarVervoeging
denominar means benoemen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Verleden hypothetische of gewenste acties: denominara, denominaras, denominara, denomináramos, denominarais, denominaran.
Present Subjunctive
Wensen, twijfels, emoties over heden/toekomst: denomine, denomines, denomine, denominemos, denominen, denomineis.
Imperative
Negative Imperative
Negatieve commando's met 'denominar': ¡no domines!, ¡no domine!, ¡no dominemos!, ¡no dominen!, ¡no dominéis!
Imperative
Geboden met 'denominar': ¡denomina!, ¡denomine!, ¡denominemos!, ¡denominen!, ¡denominad!
Indicative
Conditional
Hypothetische situaties, beleefde verzoeken: denominaría, denominarías, denominaría, denominaríamos, denominaríais, denominarían.
Preterite
Voltooide acties: dénomine, dénominas, dénomina, dénominamos, dénominasteis, dénominaron.
Imperfect
Verleden beschrijvingen of gewoonten: denominaba, denominabas, denominaba, denominábamos, denominabais, denominaban.
Present
Nu of gewoonlijk benoemen: denomino, denominas, denomina, denominamos, denomináis, denominan.
Future
Toekomstige acties: denominaré, denominarás, denominará, denominaremos, denominaréis, denominarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng denominar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'denominar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent denominar in het Spaans?
denominar betekent "benoemen".
Is denominar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
denominar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je denominar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van denominar is: yo denomino, tú denominas, él/ella/usted denomina, nosotros denominamos, vosotros denomináis, ellos/ellas/ustedes denominan.
Hoe vervoeg je denominar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van denominar is: yo denominé, tú denominaste, él/ella/usted denominó, nosotros denominamos, vosotros denominasteis, ellos/ellas/ustedes denominaron.
