desafiarVervoeging
desafiar means uitdagen.
Volledige vervoegingstabellen
Naslagwerk voor alle tijden en modi
Subjunctive
Imperfect Subjunctive
Gebruik vormen van de verleden tijd conjunctief zoals desafiara (ik/hij/zij/u) voor hypothetische situaties of voorwaarden in het verleden.
Present Subjunctive
Gebruik vormen van de tegenwoordige tijd conjunctief zoals desafíe (ik/hij/zij/u) na uitdrukkingen van twijfel, verlangen of emotie.
Imperative
Negative Imperative
Gebruik ontkennende bevelen zoals no desafíes (jij) en no desafíe (u) met 'no' en de tegenwoordige tijd van de conjunctief.
Imperative
Gebruik gebiedende wijs vormen zoals desafía (jij) en desafíe (u) voor directe bevelen.
Indicative
Conditional
De conditionele tijd van desafiar is regelmatig: desafiaría, desafiarías, desafiaría, desafiaríamos, desafiaríais, desafiarían.
Preterite
De voltooid verleden tijd van desafiar is regelmatig: desafié, desafiaste, desafió, desafiamos, desafiasteis, desafiaron.
Imperfect
De onvoltooid verleden tijd van desafiar is regelmatig: desafiaba, desafiabas, desafiaba, desafiábamos, desafiabais, desafiaban.
Present
De tegenwoordige tijd van desafiar is regelmatig: desafío, desafías, desafía, desafiamos, desafiáis, desafían.
Future
De toekomende tijd van desafiar is regelmatig: desafiaré, desafiarás, desafiará, desafiaremos, desafiaréis, desafiarán.
Vervoegingen oefenen
Test je kennis met interactieve oefeningen
Breng desafiar van tabellen naar echt Spaans
Vervoegingstabellen zijn een begin. Lees 200+ geïllustreerde en ingesproken Spaanse verhalen en zie 'desafiar' in actie in echte zinnen — en bouw het taalgevoel op dat moedertaalsprekers hebben.
Veelgestelde Vragen
Wat betekent desafiar in het Spaans?
desafiar betekent "uitdagen".
Is desafiar een regelmatig of onregelmatig werkwoord?
desafiar is een regular -ar werkwoord in het Spaans.
Hoe vervoeg je desafiar in de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd van desafiar is: yo desafío, tú desafías, él/ella/usted desafía, nosotros desafiamos, vosotros desafiáis, ellos/ellas/ustedes desafían.
Hoe vervoeg je desafiar in de verleden tijd (preteritum)?
De verleden tijd van desafiar is: yo desafié, tú desafiaste, él/ella/usted desafió, nosotros desafiamos, vosotros desafiasteis, ellos/ellas/ustedes desafiaron.
